Vlierverhalen: je weet niet wat je leest.

150 150 Kruidenkok
  • 0

De vlierstruik beschermde de Kelten en de Germanen tegen boze geesten. Zij geloofden, dat de vlier slechte krachten naar zich toe trok. Daarom mocht je een vlierstruik nooit zomaar omhakken. Als je hem wat wilde snoeien, deed je eerst uit eerbied je pet af. “Was die vlier vet mee!” denk jij nu. Akkoord het maakte weinig verschil, maar het gaf de hakker een beetje beter gevoel…

Vliertakken mocht je niet verbranden. Ze legden het snoeisel op de grond, zodat de boze geesten zachtjes en zonder schade te berokkenen in Moeder Aarde konden verdwijnen. Als je deze regels niet in acht nam, kwamen de boze geesten uit de vlier vrij en zat jij ermee opgescheept.

Elke hut had vroeger een vlierstruik als wachter voor de deur. Vrouw Holle of Vrouw Hyldemoer, zoals ze ook wel eens noemden, zorgde voor het gezin in de hut. Ze noemden haar ook wel eens ‘de doodsengel’ want zij kwam de zieltjes halen. Daarom ging de doodsgraver de gestorvene altijd met een vliertak op zijn hoed ophalen. In sommige streken kreeg de dode een vlierhouten kruis in de handen gestopt. Soms plantte een nazaat van de dode een vliertakje op het graf. Als het takje uitliep was de dode in het eeuwige leven opgenomen.

Kelten of Germanen die zich wat onzeker voelden zochten een oude vlierstruik op. Ze pakten die dan goed vast en concentreerden zich. De vlierstruik gaf na een tijdje weer zelfvertrouwen. De vlier kon op dezelfde manier dienst doen voor opgehitste temperamenten. Zij koelden wat af, als ze maar lang genoeg in de vlier knepen.

En als je last had van jicht, dan streek je die jicht toch gewoon af aan de vlierstruik, zeker! De pijn verdween en levenskracht kwam in de plaats. Zo eenvoudig was dat.

Zoals zoveel bomen en struiken kreeg de vlierstruik bij het ontstaan van het christendom een heel slechte reputatie. Zo beweerde een naïeve, christelijke ziel dat Judas zich aan een vlierstruik had opgehangen. Hij had zich eerst een oor afgesneden. Waarom hij nu juist zijn oor had afgesneden vertelde de ziel niet, maar goed: zijn oor dus. Nu vind je op oude vlierstruiken van die heel leuke trilzwammen in de vorm van een oorschelp. Zo’n trilzwam was blijkbaar iets heel mysterieus en dus onverklaarbaar. Je moet toegeven, zo’n bruin lodderoor op een tak ziet er toch ook heel raar uit. Dat moest toch van Judas komen, zeg nu zelf.

Eens die verhalen gelanceerd kon je nog maar weinig goeds horen over de vlier. Op den duur vertelden ze dat de heksen erin woonden en dat je ermee kon toveren. Hoe griezeliger, hoe liever. Maar er was nog een uitweg! Eenvoudig: je nam wat uitgetrokken tanden, slierten haar en stukjes vingernagels van een gehangene. Je begroef dat allemaal onder de wortels van een vlierstruik. Als je dat deed, had de duivel geen vat meer op jou en je gezin.

Van een Franse tovenaar beweerden ze dat die met vlierprodukten buikloop veroorzaakte. Hij had daar een heel ingenieus systeem voor gevonden. Hij stopte namelijk faecaliën van zijn vijanden in een holle vliertak. Onder het broebelen van allerlei toverformules legde hij de vliertak in de beek. Zo lang er water door de tak vloeide, hadden dezelfde slachtoffers last van buikloop.

In Duitse dorpen haalden de landbouwers de vlierstruik uit de greep van de duivel. Op bepaalde meinachten bonden ze daarvoor een blauw lint in de vlierstruiken. Terwijl ze dat deden, baden ze tot Onze-Lieve-Vrouw. Als de boom onschuldig was, gebeurde er niets. Als de duivel macht over de boom had, merkte je dat vlug. Dan begon die met een luide zucht te wiegen en met zijn takken te slaan. Na een tijdje stopte dit akelig vertoon en kon de struik rustig verder leven. De duivel had dan ‘seine Biesen genommen’.

Geloof maar dat de vlierstruik iets speciaals is. Zelfs geleerden geloofden in haar bijzondere krachten. Zo was er een Duitse arts, Martin Blochwitz, die zo maar eventjes 230 bladzijden in zijn boek “Anatomica  Sambuci” over de vlier schreef.

Blochwitz maakte pijnstillend middelen. Daar nam hij eerst een aantal verse huisjesslakken voor. Die haalde hij uit hun huisje. Legde ze naast elkaar en overgoot ze met zout. Zo gingen ze in een filtreerzak. Eens gefilterd voegde hij verpulverde vlierbessen eraan toe. Na een nachtje uitdruppen was het slijmerig goedje klaar voor het werk. Mooi verpakt in een leuk potje gaf hij dit mengsel als pijnstiller aan zijn patiënten. Tenminste: als die ondertussen nog altijd pijn hadden natuurlijk… Mocht ik als herboriste hetzelfde procédé toegepast hebben, dan noemden ze me zeker een toverheks!

 

  • Post Tags:
AUTHOR

Kruidenkok

All stories by: Kruidenkok

Leave a Reply

Your email address will not be published.